Bemanning van LZ37

Over het aantal bemanningsleden van de LZ37 deden de wildste geruchten de ronde. De kranten maakten gewag van 28 bemanningsleden. Andere publicaties zelfs van 99! Naast de gewone bemanning zouden een aantal fabrieksingenieurs aan boord geweest zijn om experimenten uit te voeren en soms werden al eens ‘passagiers’ meegenomen, ramptoeristen avant la lettre.

Een zeppelinbemanning bestond aanvankelijk uit circa 18 koppen, maar toen de bombardementen ernstig werden genomen, iets wat reeds behoorlijk vroeg in de oorlog geschiedde, viel men terug op een minimum-bemanning van 9 man om het gewicht aan bommen te kunnen opvoeren. Vandaar waarschijnlijk de verwarring over de aantallen. Om dezelfde reden werden ook geen parachutes voor de bemanning meegenomen. Elke kilogram gewichtswinst vertegenwoordigde een kilogram extra bommen.

De Duitse overheid hield het bemanningsaantal van de LZ37 officieel op negen. Een aantal dat ook  bevestigd werd in het brandweerverslag dd. 7 juni 1915, opgesteld door kapitein-commandant J. Achtergael: ‘Op het ogenblik van ons vertrek van de plaats van het onheil had men zeven (07) personen geëvacueerd die de zeppelin bemand hadden. Twee (02) lijken zijn nog teruggevonden in de loop van de ochtend. Dit aantal is juist aangezien Mr. Reichel, chef van de brandweer in Berlijn, die ik zeer goed ken, ons verzekerd heeft dat de zeppelin bemand was door negen (09) personen bij zijn vertrek uit de garage van Evere’.  ‘Unsere Luftstreitkräfte 1914-1918’ van Walter v. Eberhardt verstrekte de gegevens over de bemanning van de LZ37.



Otto Van Der Haegen, een Gentenaar? 

Zoals H. Wandt vermeldde, deed na het neerstorten van de LZ37 het verhaal de ronde dat de bevelhebber Otto Van Der Haegen een Gentenaar was en dat het neerhalen boven Gent ‘een straffe Gods was’. Eens temeer blijkt dit onjuist! Samen met Günter Dick in Duitsland en een verre Belgische nazaat van Otto, Marc Van Der Haegen, konden we zijn levens-verhaal samenstellen.

De grootouders van Otto Van Der Haegen waren Franciscus Van Der Haegen (°Ninove 08-10-1808) en zijn echtgenote  Johanna Louisa De Mol (°Ninove 17.02.1811/†Ninove 18.02.1842). Franciscus was twijnder, ga-renmaker of spinner. Na het overlijden van zijn echtgenote emigreerde hij met zijn 8-jarige zoon Jan Livien in 1847 naar Dülken am Niederrhein (D).

De reden voor de emigratie was dat Duitsland verhoogde tolrechten had geheven op naaigarens, wat zware gevolgen had voor de Ninoofse textielindustrie, terwijl het bij de lokale Duitse industrie ontbrak aan gespecialiseerde arbeidskrachten. 

Franciscus Van Der Haegen huwde er Gertrud-Catharina Henseler. Zijn zoon Jan Livien (°Ninove 1.12.1839/†Kreutal 19.09.1913) huwde op 22-jarige leeftijd de 3 jaar oudere Maria Katherina Emilie Bücklers (°Dülken 02.02.1836/†Ferndorf-Lohe 30.04.1871), dochter van één van de twee eigenaars van de ‘Zwirn Textilfabrik’ in Dülken. 



Otto, de zoon van Jan Livien en Minna Siebel, volgde de lessen aan het ‘Realgymnasium’ in Siegen en trad toe als ‘Fahnenjunker’ tot het ‘3.Eisen-bahnregiment’ in Berlijn. In de zomer van 1907 werd hij tot luitenant bevorderd en in de herfst 1909 tot het commando van het ‘Luft-schifferbatallion’ in Berlijn. Vanaf 1910 voerde hij een aantal oefenvluchten uit met ballons,  Parcevals, militaire luchtschepen en zeppelins van op de luchtschipbasissen van Berlijn, Trier, Metz, Gotha, Baden-Dos, Keulen en Düsseldorf. Hij had hij op 21 mei 1912 een zeppelinvlucht gemaakt over het Siegerland. Op 24 april 1913 maakte hij een tweede vlucht, waarbij hij luchtopnamen maakte van Lohe, Dahlbruch, Kreuztal en Keppel. 



Kurt Ackermann

Volgens Mühler was Ackermann ‘van huis uit een rijke jonge sportman, die pas weinige maanden voorheen uit begeestering zeppelinpiloot geworden was, en mij als bommenofficier toegewezen werd.’ Vader Carl A. Ackermann (°Berlijn 2.08.1846/†Berlijn 1.12.1893) was gehuwd met Helene Hehs en eigenaar van de ‘Liqueurfabrik Louis Ackermann jr.’, een familiebedrijf  in de Zimmerstrasse 19 te Berlijn. Hij was ook consul van Argentinië met domicilie Askanisher Platz 4. Ten onrechte werd beweerd dat hij ook Belgische roots had. De oorzaak is te zoeken in het feit dat men op deze manier probeerde uit te leggen waarom Ackermann en Van Der Haegen als enigen vóór het monument van de LZ37 op de Gentse Wes-terbegraafplaats rusten. Als luitenant behaalde Kurt Ackermann op 20 juni 1912 zijn pilotenbrevet, nr. 240. 





Wilhelm Müller

We waren oorspronkelijk van oordeel dat Müller zich eerder toevallig aan boord van de LZ37 bevond om uit nieuwsgierigheid eens een bombar-dement op Groot-Brittannië mee te maken. We dachten dat dit de reden was waarom zijn familie hem niet begraven liet bij de andere beman-ningsleden en zijn stoffelijk overschot zo snel naar Duitsland liet over-brengen. 














Carl (Karl) Gottlob Clauss 

Hij leerde bij Daimler in Stuttgart het beroep van slotenmaker. Eerst was hij machinist bij de Marine o.m. in Tsingtau, Duits China, vooraleer hij als motorspecialist ingedeeld werd bij het ‘Luftschiffer-Batallion 3’. De echt-genote van Carl, Margarete Löffler (°Ochsenberg 22.09.1886 - †Esslingen 18.11.1950), kwam na het overlijden van haar man naar Gent, waarbij haar zijn uurwerk werd overhandigd. Aan één van de schakels van de ketting zat nog een stukje gesmolten aluminium vastgehecht. Oorspronkelijk wou zij het stoffelijk overschot naar Duitsland laten overbrengen, maar zij zag ervan af toen haar verzekerd werd dat de graven van de bemanning van de LZ37 steeds verenigd zouden blijven! 





Carl Mahr 

Mahr was ingenieur en gehuwd met Anny.



Hermann Kirchner 

Hij was de boordschutter. Volgens Mühler had hij vroegtijdig zijn ge-vechtspost verlaten om zich op de landing te Gontrode voor te bereiden. De getuigenis van Mühler kan perfect kloppen, want op het ogenblik van de aanval bevond de LZ37 zich in vogelvlucht op zowat 10 km van Gontrode. Dit was voor de zeppelin amper 10 minuten vliegen om deze afstand af te leggen, zodat het zeer goed te begrijpen is dat de bemanning overmoedig geworden was! Tien minuten die de LZ37 fataal werden!



Alfred Mühler, de enige overlevende

De zwaargewonde stuurman Alfred Mühler overleefde als enige het drama met de zeppelin LZ37. Zijn verhaal werd later opgetekend door Ernst Lehmann, de latere kapitein van de ‘Hindenburg’, die zelf om het leven kwam toen dit beroemde luchtschip in 1937 te Lakehurst (USA) bij de landing door brand vernield werd.

Mühler werd half bewusteloos tegen een muur in de tuin van het klooster gevonden, dichtbij de stervende Van Der Haegen en Ackermann. Een burgerdokter ontfermde zich over hem, verwijderde verschillende metalen splinters uit zijn elleboog, maar het verbinden van zijn brandwonden was het pijnlijkst. Volgens H. Wandt was hij in shock en had hij de spraak verloren. Het ‘Krankenbuch’ maakt melding van een gebroken elleboog, zoals ook op zijn foto in het ‘Lazarett’ te zien is.

Mühler werd verzorgd in het ‘Kriegslazarett Justizpalast’ dat was voor-behouden aan officieren. Daar vernam hij dat hij als dood was opgegeven en dat er zelfs een graf voor hem gegraven was naast zijn kameraden tot bekend werd dat hij het had overleefd. 

Bij zijn terugkeer in Duitsland huwde hij op 7 augustus 1915 Josephina Merz. In de huwelijksakte werd vermeld ‘Im Felde’, waaruit blijkt dat hij terug in dienst was. 

Alle opzoekingen over hem werden bemoeilijkt omdat het archief uit de Eerste Wereldoorlog te Potsdam in 1945 grotendeels vernield werd. Uit het ‘Krankenbuch van het Justizpalast Lazarett’, waar hij opgenomen werd, bleek dat hij afkomstig was van Rochlitz/Saale en geboren in 1887. Hij was dus 28 jaar bij het neerstorten van de LZ37.

Hij zou later nog als douanier in Bazel gewerkt hebben. Günter Dick ontdekte dat hij stierf in oktober 1945 in het Sovjet-Russische Speziallager Nr 4 in Landsberg/Warthe (thans Gorzow Wielkopolskie/Polen).










De bemanning van LZ37 van de fatale vlucht van 6-7 juni 1915.











Een bemanning van LZ37 van een andere vlucht uit 1915 met commandant Otto Van Der Haegen in het midden.